|
Kort historisch overzicht:
In 1955 vond in de
toenmalige CSSR een biologisch experiment plaats, een Duitse herder
werd met een Karpatenwolf gekruist. Uit dit experiment bleek dat de
pups uit de kruising hond x wolvin en uit de kruising teef x wolf,
levensvatbaar waren. Het merendeel van de pups die voortgekomen zijn
uit deze kruisingen bleken genetisch geschikt te zijn om mee verder te
fokken.
Na het beëindigen van dit
experiment werd in 1965 een project opgesteld voor dit nieuwe ras. Het
doel was de goede eigenschappen van de wolf en die van de hond met
elkaar te combineren. In 1982 werd het ras door de algemene
vergadering van de Tsjechoslowaakse Federale Bond voor Fokkers van de
toenmalige CSSR als nationaal ras erkend.
Algemene verschijning:
Krachtig, gebouwd, boven de
gemiddelde grootte, met een rechthoekig uiterlijk. Zijn lichaamsbouw,
gangwerk, vachtstructuur, kleur en masker, gelijkend op een wolf.
Belangrijke
verhoudingen:
|
Lichaamslengte |
: |
schofthoogte |
= |
10 : 9 |
|
Lengte voorsnuit |
: |
lengte schedel |
= |
1 : 1,5 |
Karakter en temperament:
Levendig, zeer actief, met
een groot uithoudingsvermogen. Leert en reageert zeer snel.
Onverschrokken en moedig. Argwanend, maar zal zonder reden niet
aanvallen. Toont enorme trouw aan zijn baas. Bestand tegen alle
weersomstandigheden. Veelzijdig inzetbare gebruikshond.

Hoofd:
Symmetrisch, goed gespierd.
Zowel van boven als van opzij gezien heeft het hoofd een stompe
wigvorm. Duidelijk geslachtstype.
Schedelgedeelte:
Zowel van voren als van
opzij gezien is het voorhoofd licht gewelfd. De occiput is duidelijk
zichtbaar. Matige stop.
Aangezichtsgedeelte:
|
Neus |
: |
Ovaalgevormd, zwart. |
|
Voorsnuit |
: |
Glad, niet breed, rechte
neusbrug. |
Lippen
|
:
|
Strak gesloten, zonder
ruimte i/d mondhoeken. De lipranden zijn zwart. |
Kaken/ gebit
|
:
|
Goed ontwikkelde tanden, m.n. de hoektanden. Schaar- of tanggebit met 42 gebitselementen, zoals
gebruikelijk geformeerd. Regelmatig geplaatst. |
|
Wangen |
: |
Glad, voldoende bespierd,
zonder (opvallende) bakken. |
Ogen
|
:
|
Klein, schuin geplaatst,
barnsteenkleurig, met goed gesloten oogleden. |
Oren
|
:
|
Staand, dun, kort (d.w.z.
niet langer dan 1/6 van de schofthoogte). De buitenste punt v/d
ooraanzet en de buitenste ooghoeken liggen op één lijn. Een loodlijn
vanuit de punt v/h oor loopt vlak langs het hoofd. |
Hals/ nek
|
:
|
Droog, goed gespierd.
In rust in een hoek van 40°
met de
horizontale lijn. De halslengte moet zodanig zijn, dat de neus van de
hond moeiteloos de grond kan raken. |
| |
|
|
|
Lichaam: |
|
|
|
Bovenbelijning |
: |
Vloeiende overgangen van
hals naar lichaam, licht dalend. |
Schoft
|
:
|
Goed gespierd, duidelijk
zichtbaar. Hoewel zichtbaar mogen de schouders de bovenbelijning
niet verstoren. |
|
Rug |
: |
Sterk en recht. |
|
Lendenen |
: |
Kort, goed gespierd, niet
breed, licht gewelfd. |
|
Bekken |
: |
Kort, goed gespierd, niet
breed, licht hellend. |
Borstkas
|
:
|
Symmetrisch, goed gespierd,
ruim, peervormig en naar hetborstbeen toe nauwer wordend. De
onderkant v/d borstkas komt niet tot aan de ellebogen. De punt
v/h borstbeen komt niet voorbij het boeggewricht (geen voorborst). |
|
Onderbelijning en buik |
:
|
Strakke oplopende buiklijn,
licht ingevallen flanken.
|
Staart
|
:
|
Hoog aangezet, in rust
recht naar beneden hangend. Als de hond attent is of in actie,
wordt de staart hoger gedragen in een sikkelvorm. |
| |
|
|
|
Ledematen: |
|
|
Voorhand
|
:
|
De voorbenen zijn recht,
glad, dicht bij elkaar geplaatst, met licht naar buiten gedraaide
voeten. |
Schouder
|
:
|
Het schouderblad is
tamelijk ver naar voren geplaatst, goed
gespierd. Het vormt een hoek van bijna 65°
met de horizontale
lijn. |
Opperarm
|
:
|
Sterk gespierd, een
hoek van 120°
tot 130°
vormend met het
schouderblad. |
Ellebogen
|
:
|
Goed aangesloten, noch in-
noch uitdraaiend, goed gedefinieerd,
flexibel. Opperarm en
voorbeen vormen een hoek van ongeveer
150°. |
Voorbeen
|
: |
Lang, glad en recht. De
totale lengte van de voorbenen en de middenvoet bedraagt 55% van
de schofthoogte. |
|
Polsgewricht |
: |
Krachtig en flexibel. |
Middenvoet
|
:
|
Lang, een hoek van
minstens 75°
met de grond vormend. Licht
verend in beweging. |
Voorvoeten
|
:
|
Groot, licht uitdraaiend,
vrij lange gebogen tenen met sterke,
donkere nagels. Goed
ontwikkelde, elastische donkere voetzolen. |
| |
|
|
|
Achterhand:
Krachtig. De achterbenen
staan parallel. Een denkbeeldige verticale lijn vanuit de punt van het
zitbeen zou midden door het spronggewricht lopen. |
|
Eerste dij/ bovenschenkel |
:
|
Lang, goed gespierd.
Vormt een hoek van 80°
met het bekken.
Het heupgewricht is stevig
en flexibel. |
|
Knie |
: |
Sterk en flexibel. |
|
Tweede dij/ onderschenkel |
:
|
Lang, glad, goed
gespierd. Vormt een hoek van ongeveer 130°
met de hak. |
|
Spronggewricht |
: |
Glad, stevig en flexibel. |
|
Hakbeen |
: |
Lang, glad, praktisch
vertikaal t.o.v. de grond geplaatst. |
|
Achtervoet |
: |
Vrij lange, gebogen tenen
met sterke donkere nagels. |
Gangwerk:
Harmonieus lichtvoetig,
veel grond beslaande draf, waarbij de ledematen vlak bij de grond
blijven. Hoofd en hals worden horizontaal gedragen. In stap gaat de
hond in telgang.
Huid:
Elastisch, stak, zonder
rimpels en ongepigmenteerd.
Vacht en vachtstructuur:
Recht en dicht. De winter-
en zomervacht verschillen veel van elkaar. In de winter vormt de
enorme ondervacht met de bovenvacht een dikke vacht om het gehele
lichaam. Het is noodzakelijk dat de buik, binnenkant van de dijen, het
scrotum, binnenkant van het oor en het gebied tussen de tenen behaard
zijn. Rond de hals bevindt zich een duidelijke kraag.
Vachtkleur:
Van geel-grijs tot
zilvergrijs met een karakteristiek licht masker. De onderzijde van de
hals en de voorborst zijn licht gekleurd. Een donkergrijze kleur met
masker is toegestaan.
Hoogte en gewicht:
|
Schofthoogte |
: reuen: minimaal 65 cm. |
| |
: teven: minimaal 60 cm. |
|
Gewicht |
: reuen: minimaal 26 kg. |
| |
: teven: minimaal 20 kg. |
Fouten:
Iedere afwijking van
bovengenoemde punten moet als een fout beschouwd worden en de mate
waarin deze fout wordt aangerekend dient in de juiste verhouding te
staan tot de ernst van de fout.
| - |
Zwaar of licht hoofd, vlak
voorhoofd. |
| - |
Donkerbruin, zwarte of
anders kleurige ogen. |
| - |
Zwaar oor. Hoog of laag
aangezet oor. |
| - |
Hoog gedragen hals in rust,
laag geplaatste hals in stand. |
| - |
Niet geprononceerde schoft, a-typische bovenbelijning, lang bekken. |
| - |
Te veel of te weinig
hoeking in de voorhand, zwakke middenvoeten. |
| - |
Te veel of te weinig
hoeking in de achterhand. Onvoldoende bespiering. |
| - |
Lange staart, laag aangezet
en niet correct gedragen. |
| - |
Nauwelijks zichtbaar
masker. |
| - |
Korte, slingerende gangen. |
| |
|
|
Diskwalificerende fouten: |
| - |
Afwijkingen in
proporties. |
-
|
Fouten in gedrag en
temperament, a-typisch hoofd, missende
gebitselementen, ongelijkmatige beet. A-typische vorm en plaatsing van
het oog. |
| - |
Keelhuid,
sterke bekkenhelling. |
| - |
A-typische
ribbenkast, foute en a-typische plaatsing van de voorbenen. |
| - |
Uitstaande
en a-typische vacht, vachtkleur anders dan aangegeven in de standaard. |
| - |
Zwakke
gewrichten, a-typisch gangwerk. |
N.B.: Reuen moeten twee
normaal uitziende teelballen hebben, die geheel in het scrotum zijn
ingedaald!
Het is goed, bij het lezen van de standaard, in het achterhoofd
te
houden dat de CSV op geen enkel punt op een Duitse Herder mag
lijken!
|